Guurtemoei van Boskoop
gedicht/lied door: J. Brester, A.Z. 1841
Uit: Nederlandsche Muzen-Almanak. (1843)
Guurtemoei van Boskoop
(IJsstukje)

Guurtemoei zit al heur dagen,
Langer toch dan iemand heugt,
Zonder prijzen, zonder klagen,
Zonder schijn van leed of vreugd.

Oud, dat moet zij wis wel wezen;
Zeker meer dan tachtig jaar;
Want al veertig jaar voordezen
Zat zij zoo als heden daar.

Suf en stil was ze ook al tijen;
Altijd was 't eene oude vrouw,
Die maar zwijgend zit te breijen
Voor het venster aan de Gouw.

Of de kinders haar wat plagen
En wat razen om haar heen,-
Och zij kan het best verdragen,
Maar ze is even graag alleen.

Of het voorjaar met zijn verven
't Veld kleurt en de kweekerij,
Dan of bloem en bladers sterven
Tegen 't barre jaargetij.

't Is of weer noch jaargetijen,
Of haar niets ter wereld raakt,
Als ze zwijgend zit te breijen,
En maar ijvrig voortgang maakt.

Dit slechts: stolt de vorst de stroomen,
Als de Gouwe digt geraakt,
Is het even of ze uit droomen,
Uit een langen slaap ontwaakt.

En wanneer dan vreemde of buren
Vrolijk rijden langs de baan,
Zit zij ze altijd na te turen,
En er wordt geen steek gedaan.

't Weinig rood ziet men verhoogen,
Dat er op heur kaken ligt,
En heur dan weer glinstrende oogen
Stokstijf op de brug gerigt.

En dan ziet men tranen komen
Door de grijze wimpers heen;
En zoo zit ze dan te droomen
Dikwijls uren achtereen.

Weet gij hoe men wil verklaren
Wat er omgaat in heur geest?
Eens, voor mooglijk zestig jaren,
Is zij zeker mooi geweest.
-
Want een rijke boer uit Noorden
Won heur hand en vrijde haar,
En aan Rijn- en Gouweboorden-
Zei men - was geen knapper paar.

Eenmaal op een zondagmorgen
Zat zij aangekleed als bruid,
En zij keek, vol zoete zorgen,
't Venster aan de Gouwzij uit.

Door de brug heen moest hij komen;
't IJs was sterk en glad de baan;
En de juichkreet werd vernomen:
"Plaats! daar komt de Bruigom aan!"
-
Ja, HIJ is het; 't zijn ZIJN schaatsen,
't Zijn heur linten op zijn hoed,
Die op 't blinkende ijs weerkaatsen,
Die zich spieglen voor zijn voet.....

"God, o God!" hoort ze, en meteenen
Schiet elk op het bruggetje af;
En de rijder was verdwenen,
En de Gouwe werd zijn graf.

Weken zat zij zonder klagen,
Zonder tranen voor het glas,
Of de bruigom niet kwam dagen,-
Hij, wiens bruid zij immers was.

Niet voor dat de ontdooide Gouwe
Golfjes droeg voor baan of pad,
Voelde zij zich weduwvrouwe
Wie geen gade tegentrad.

Sedert zit zij al heur dagen,
Langer toch dan iemand heugt,
Zonder prijzen, zonder klagen,
Zonder schijn van leed of vreugd.

Dit slechts: stolt de vorst de stroomen,
Als de Gouwe digt geraakt,
Is het even of ze uit droomen,
Uit een langen slaap ontwaakt.

Maar niet voor zij onder de aarde
Uitgerust heeft van heur pijn
Zal, wat ze in heur hart bewaarde,
Zal heur hoop AANSCHOUWEN zijn.

gevonden op internet


 heeft u foto's en/of verhalen interessant voor alle Boskopers, mail het naar: