Guurtemoei
van Boskoop
(IJsstukje)
Guurtemoei zit al heur dagen,
Langer toch dan iemand heugt,
Zonder prijzen, zonder klagen,
Zonder schijn van leed of
vreugd.
Oud, dat moet zij wis wel
wezen;
Zeker meer dan tachtig jaar;
Want al veertig jaar voordezen
Zat zij zoo als heden daar.
Suf en stil was ze ook al
tijen;
Altijd was 't eene oude
vrouw,
Die maar zwijgend zit te
breijen
Voor het venster aan de
Gouw.
Of de kinders haar wat plagen
En wat razen om haar heen,-
Och zij kan het best verdragen,
Maar ze is even graag alleen.
Of het voorjaar met zijn
verven
't Veld kleurt en de kweekerij,
Dan of bloem en bladers
sterven
Tegen 't barre jaargetij.
't Is of weer noch jaargetijen,
Of haar niets ter wereld
raakt,
Als ze zwijgend zit te breijen,
En maar ijvrig voortgang
maakt.
Dit slechts: stolt de vorst
de stroomen,
Als de Gouwe digt geraakt,
Is het even of ze uit droomen,
Uit een langen slaap ontwaakt.
En wanneer dan vreemde of
buren
Vrolijk rijden langs de
baan,
Zit zij ze altijd na te
turen,
En er wordt geen steek gedaan.
't Weinig rood ziet men verhoogen,
Dat er op heur kaken ligt,
En heur dan weer glinstrende
oogen
Stokstijf op de brug gerigt.
En dan ziet men tranen komen
Door de grijze wimpers heen;
En zoo zit ze dan te droomen
Dikwijls uren achtereen.
Weet gij hoe men wil verklaren
Wat er omgaat in heur geest?
Eens, voor mooglijk zestig
jaren,
Is zij zeker mooi geweest.
-
Want een rijke boer uit
Noorden
Won heur hand en vrijde
haar,
En aan Rijn- en Gouweboorden-
Zei men - was geen knapper
paar.
Eenmaal op een zondagmorgen
Zat zij aangekleed als bruid,
En zij keek, vol zoete zorgen,
't Venster aan de Gouwzij
uit.
Door de brug heen moest hij
komen;
't IJs was sterk en glad
de baan;
En de juichkreet werd vernomen:
"Plaats! daar komt de Bruigom
aan!"
-
Ja, HIJ is het; 't zijn
ZIJN schaatsen,
't Zijn heur linten op zijn
hoed,
Die op 't blinkende ijs
weerkaatsen,
Die zich spieglen voor zijn
voet.....
"God, o God!" hoort ze, en
meteenen
Schiet elk op het bruggetje
af;
En de rijder was verdwenen,
En de Gouwe werd zijn graf.
Weken zat zij zonder klagen,
Zonder tranen voor het glas,
Of de bruigom niet kwam
dagen,-
Hij, wiens bruid zij immers
was.
Niet voor dat de ontdooide
Gouwe
Golfjes droeg voor baan
of pad,
Voelde zij zich weduwvrouwe
Wie geen gade tegentrad.
Sedert zit zij al heur dagen,
Langer toch dan iemand heugt,
Zonder prijzen, zonder klagen,
Zonder schijn van leed of
vreugd.
Dit slechts: stolt de vorst
de stroomen,
Als de Gouwe digt geraakt,
Is het even of ze uit droomen,
Uit een langen slaap ontwaakt.
Maar niet voor zij onder
de aarde
Uitgerust heeft van heur
pijn
Zal, wat ze in heur hart
bewaarde,
Zal heur hoop AANSCHOUWEN
zijn.
gevonden
op internet |